Onderzoekslijn 3

Het middelbaar beroepsonderwijs bevindt zich midden in de samenleving en wil innovatieve, onderzoekende en wendbare professionals voor de toekomst opleiden. De docent heeft innoverend vermogen nodig om enerzijds mee te bewegen met innovaties van de beroepspraktijk en het onderwijs en anderzijds om een voorbeeld te zijn voor studenten. Een innoverende docent is ondernemend, ambitieus en creatief (Ridder, 2020). Hij neemt deel aan netwerken waarin innovatie een belangrijke rol speelt en bedenkt, introduceert en past hierbij nieuwe ideeën toe. Wat is er nu nodig om dit innoverend vermogen van mbo docenten te ontwikkelen?

Een innovatieve docent is voortdurend in beweging;
hij bedenkt hoe het beter kan, is extern georiënteerd,
netwerkt actief en zet dit in, leest over het vak, gaat bij
anderen te rade, enthousiasmeert collega’s en ontwikkelt
zelf een efficiëntere aanpak. Die kritische reflectie, het
daarnaar handelen en tegelijkertijd nadenken over hoe het
efficiënter kan, is de kern van innovatie (Klaeijssen, 2015;
Stichting Practoraten, 2018). Bij innoverend vermogen
gaat het om een combinatie van persoonlijke talenten,
kennis, vaardigheden en houding (Van de Braak &
Bruining, 2020). Een docent met innoverend vermogen
is in staat deel te nemen aan netwerken waarin innovatie
een belangrijke rol speelt en cruciaal om nieuwe
initiatieven tot stand te brengen. Hierbij wordt gedrag van
de docent gevraagd, gericht op het gehele proces van
het verkennen van kansen, het genereren van ideeën en
het promoten, realiseren en duurzaam implementeren
van deze ideeën (Lambriex-Schmitz e.a., 2020).
Voorwaardelijk voor het proces van innovatie is creativiteit
(Lambriex-Schmitz e.a., 2020). De docent heeft een
voorbeeldrol. Studenten innoverend en creatief vermogen eigen maken, vraagt om innoverende en creatieve docenten (Van de Braak & Bruining, 2020). Innovatie en
creativiteit gaan hand in hand. Hierbij is creativiteit het
proces om de originele en waardevolle ideeën te
ontwikkelen en innovatie het proces om nieuwe ideeën
om te zetten in de praktijk waarbij nieuw gedrag vertoond
wordt (Lambriex-Schmitz e.a., 2020; Robinson, 2013).